EIGENSCHAPPEN VAN DE STIJLEN:


‘Art Nouveau’ of ‘Jugendstil’ (ca 1875 – ca 1914)

Slanke proporties en lange, golvende lijnen. Dikwijls asymmetrische ontwerpen. Vormen en versieringen afgeleid van natuurlijke vormen, zoals bloemen, vlammen en golven en van geometrische figuren (patronen).

‘Art Déco’ (1920 -1939)

Zware geometrische stijl met op primitieve kunst en Egyptische motieven geïnspireerde versiering. Gebruik van materialen als glas, plastic en staal.

Previous Home Next

E-mail: whgstuiver@radio-wereld.nl